De historische rozen van Belmonte

De historische rozen van Belmonte

De rozencollectie van het Belmonte Arboretum Wageningen heeft zijn definitieve plek gekregen. Alle 650 struiken zijn herschikt naar afkomst en verwantschap, voorzien van naambordjes én gesnoeid. Als basisindeling is voor drie hoofdgroepen gekozen: historische tuinrozen, moderne tuinrozen en wilde rozen. De historische rozen zijn in twee vakken dicht bij het koetshuis geplaatst.

Duizenden cultivars historische tuinrozen zijn in de loop der eeuwen gekweekt. De meeste bestaan echter niet meer, omdat ze ziek werden of niet mooi genoeg werden gevonden. Mode speelde een grote rol in samenhang met een telkens veranderende tuinarchitectuur. De historische rozen die de eeuwen wel hebben doorstaan, zijn de sterkste cultivars en die koesteren we hier. In de rozenvakken zijn de rozen groepsgewijs naar verwantschap gerangschikt.

Waarom zijn er eigenlijk twee vakken met historische tuinrozen aangelegd? Het antwoord is snel te geven: omdat er een duidelijke scheiding is aan te brengen in hun ontstaansgeschiedenis. Aan de ene kant van het grasveld staan de rozencultivars van groepen die vóór 1800 zijn ontstaan. Deze hebben zich in Europa en het Midden-Oosten ontwikkeld uit een beperkt aantal wilde soorten. De eerste tuinrozen dateren al van voor het begin van onze jaartelling. Vrijwel al deze rozencultivars bloeien alleen in juni. Aan de andere kant van het grasveld staan de historische tuinrozen uit 1800-1867, de periode waarin plantenzoekers en missionarissen rozen uit China meenamen. Met deze rozen zijn nieuwe eigenschappen ingebracht zoals herbloei, extra geuren en kleuren. Veel historische cultivars bloeien in zachte pasteltinten. Slechts enkele cultivars hebben fel gekleurde bloemen. Met name de kleuren oranje en felrood ontbraken. Het tijdperk historische rozen sluit af in 1867 met de introductie van de roos ‘La France’, behorend tot de groep theehybriden of grootbloemige rozen. Veel daarna volgende cultivars zijn voortgekomen uit kruisingen met deze groep.

De tuinrozen van voor 1800

1. Gallicagroep Rosa gallica

1. Gallicagroep Rosa gallica

Veruit de belangrijkste stamouder is de Franse roos (Rosa gallica). Deze soort is van buitengewone betekenis voor de ontwikkeling van tuinrozen. Tot in de huidige moderne tuinrozen is de invloed van deze roos nog zichtbaar.

In het wild komt R. gallica voor in Midden- en Zuid-Europa. Al heet de soort Franse roos, in Frankrijk is hij zeldzaam en staat er op de Rode Lijst. In Nederland is de roos niet inheems. R. gallica heeft enkele bloemen met vijf kroonbladeren. Daarvan afgeleide cultivars hebben enkelvoudige of gevulde bloemen, meestal purperrood of roze.

Sinds de Middeleeuwen zijn de rozen uit de gallicagroep veel gekweekt, waaronder de Apothekersroos (R. gallica ‘Officinalis’) met halfgevulde bloemen. Zoals de naam aangeeft diende de roos als geneeskruid tegen een veelheid aan ziekten en kwalen. Aanvankelijk werd de roos in kloostertuinen gekweekt; monniken waren immers de artsen van die tijd. In 1900 zijn er zelfs nog leveringen gedaan aan het Nederlandse leger.

2.  Albagroep  Rosa alba  ‘Plena’

2. Albagroep Rosa alba ‘Plena’

R. alba – een kruising tussen R. gallica en een vorm van de inheemse hondsroos (R. corymbifera) – is tevens een belangrijke stamouder. De oudste albarozen dateren uit de Romeinse tijd. In de Middeleeuwen zijn ze veel gekweekt. Op den duur nam de belangstelling af, vermoedelijk omdat er moeilijk mee gekruist kon worden.

De bolle, zeer gevulde rozen afgeleid van R. centifolia (honderdbladige roos of koolroos) zijn vermoedelijk in de 16e eeuw in Nederland ontstaan en veelvuldig afgebeeld door 17e-eeuwse Nederlandse schilders. Rozen van de groep R. damascena (genoemd naar Damascus in Syrië) produceren kostbare rozenolie. Zij ontstonden minstens 3000 jaar geleden in het Midden-Oosten. Zogenoemde mosrozen zijn in de 17e eeuw ontstaan als mutanten van R. centifolia en R. damascena. De geurende klieren op de kelkblaadjes en bloemstelen zien er uit als mos.

Eind 18e eeuw ontstond de Portland Groep met intens geurende bloemen op korte stelen en met herbloei. Een voorbeeld is R. ‘Rose de Rescht’, genoemd naar de Iraanse stad Rescht.

3. Centifoliagroep  R. ‘Fantin Latour’

3. Centifoliagroep R. ‘Fantin Latour’

4. Damascenergroep ‘R. La ville de Bruxelles’

4. Damascenergroep R. ‘La ville de Bruxelles’

5. Mosgroep Rosa ‘Henri Martin’

5. Mosgroep Rosa ‘Henri Martin’

6. Portlandgroep Rosa Rose de Rescht

6. Portlandgroep Rosa ‘Rose de Rescht’

Bij al deze groepen geldt: er zit ook genetisch materiaal van R. gallica in.

Historische rozen 1800-1867

7. Chinagroep R. Old Blush

7. Chinagroep R. ‘Old Blush’

8. Foetidagroep Rosa foetida Persiana

8. Foetidagroep Rosa foeida ‘Persiana’

Engelse plantenzoekers en Franse missionarissen namen na 1800 tijdens hun ontdekkingstochten rozen uit China mee naar Europa. Ze troffen er een ware genenbron: in China komen van nature 95 van de 200 wilde soorten wereldwijd voor. Ook worden in China al meer dan 5000 jaar rozen in tuinen gekweekt, al ver voor de tijd dat het Midden-Oosten en Europa de roos ontdekten als geliefde sier- en nutsplant.

9. Remontant hybride groep R. La Reine

9. Remontant hybride groep R. ‘La Reine’

Missionarissen en plantenzoekers werkten in China met gevaar voor eigen leven. Het land was verboden terrein voor Europeanen en een aantal missionarissen moest hun zendingsdrang met de dood bekopen. Eén plantenzoeker, vermomd als Chinees, wist ver het land binnen te dringen en op zijn tocht verzamelde hij diverse rozen. Enige missionarissen zijn geëerd met een rozennaam, waaronder Rosa davidii, genoemd naar pater David. In Belmonte staat deze wilde roos in het rozenvak Aziatische wilde rozen.

10. Bourbongroep R. Honerine de Brabant

10. Bourbongroep R. ‘Honerine de Brabant’

Met de komst van de Chinese rozen werden nieuwe eigenschapen geïntroduceerd: herbloei (na de bloei in juni volgt in de zomer een tweede bloeiperiode), extra geuren en fellere kleuren. Nog steeds zijn deze eigenschappen aanwezig in onze moderne tuinrozen.

11. Noisettegroep R. Blush Noisette

11. Noisettegroep R. ‘Blush Noisette’

Bezoekers kunnen straks in het gras tussen de historische rozen zitten en rondlopen. Aan de randen van het grasterras zijn hoog oprijzende, geurende klimrozen geplant. Om en om staat er een grootbloemige klimroos en een rambler, een klimroos met dunne, slappe takken en kleinere bloemen, rijk bloeiend in grote trossen.

Piet Bakker en Ria Dubbeldam

Foto’s – Els de Krijger

Met dank aan de redactie voor de toestemming tot plaatsing van dit artikel verschenen in het Bulletin van het Belmonte Arboretum nr. 69, juni 2016.

In de Foto galerij vindt u deze foto’s ook.