Geelvinck Hinlopen Huis

Geelvinck Hinlopen Huis

Tuin van het stadspaleis Geelvinck Hinlopen Huis – een ‘keurtuin’ in de Amsterdamse grachtengordel

Museum Geelvinck Hinlopen Huis
Keizersgracht 633
1017 DS Amsterdam
tel. 020 – 7155900
info@geelvinck.nl
www.geelvinck.nl

De tuin is geopend tijdens de openingstijden van het museum:

  • dagelijks open van 11.00 uur tot 17.00 uur (dinsdags gesloten)
  • tevens gesloten op Koninginnedag (Koningsdag) en van 23 december t/m 3 januari
  • gratis entree voor de tuin (uitgezonderd tijdens de Amsterdamse Open Tuinen Dagen)
  • 25% korting op volwassentarief toegang museum voor leden Ned. Rozenvereniging
  • heeft u een Museumkaart of Stadspas Amsterdam, dan is de toegang tot het museum gratis.

Inleiding

Het Geelvinck Hinlopen Huis is een stadspaleis in het meest prestigieuze deel van de Amsterdamse grachtengordel. Het ensemble van hoofdhuis aan de Herengracht en koetshuis aan de Keizersgracht met daartussen een uitgestrekte tuin werd gebouwd in 1687 en deze structuur is daarna vrijwel onveranderd gebleven.

Bij de uitbreiding van de stad Amsterdam met de grachtengordel in 1612 werden bij de verkoop van de nieuwe percelen stringente regels en bouwvoorschriften door het stadsbestuur vastgesteld, de zogenoemde ‘keuren’. Deze ‘keuren’ zijn vergelijkbaar met hedendaagse bouwbesluiten en bestemmingsplannen. Innovatief was dat binnen de bouwblokken (‘keurblokken’) een structuur van binnentuinen werd gerealiseerd, waarvoor eveneens strenge regels golden (en nog steeds gelden), de ‘keurtuinen’. De tuin van het Geelvinck Hinlopen Huis is een goed voorbeeld van een zo’n ‘keurtuin’.

In 1990 heeft de internationaal bekende tuinarchitect Robert Broekema de huidige tuin van Museum Geelvinck Hinlopen Huis ontworpen. In dit eigentijdse ontwerp verwerkte hij speels historische stijlelementen uit de geschiedenis van de stadstuinen.

De langgerekte tuin is verdeeld in drie ‘kamers’. In het deel dat aansluit op het hoofdhuis zijn referenties aan de stijlelementen uit barok en de romantiek te onderkennen. Het deel bij het voormalige koetshuis grijpt terug op de knopentuin. Deze beide symmetrisch rond de tuinassen opgebouwde delen worden met elkaar verbonden door een ‘kamer’ in landschapsstijl, die gedomineerd wordt door de grote bruine beuk in de buurtuin.

=============================================================

Tuinbeschrijving

De tuin van het museum strekt zich uit van het hoofdhuis aan de Herengracht naar het voormalige koetshuis aan de Keizersgracht. Met een omvang van ca. 750 m2 en een lengte van bijna 65 meter, is het een van de grote tuinen binnen de Amsterdamse grachtengordel. Opmerkelijk is, dat de perceelgrootte (met een tussenpose in de 20e eeuw) sedert de bouw van het Geelvinck Hinlopen Huis in 1687 vrijwel onveranderd is gebleven; alleen bij het koetshuis is in de 20e eeuw een strip van de tuin bij de tuin van de buren getrokken, waardoor aan die zijde de tuin smaller is dan oorspronkelijk.

De geschiedenis van de tuin gaat terug naar de 17e eeuw. Nadat in 1663 dit gedeelte (de vierde uitleg) van de grachtengordel gereed was gekomen, hebben deze percelen geruime tijd braak gelegen. Vanaf het Rampjaar in 1672 was de bouwactiviteit in Amsterdam vrijwel een decennium lang stil komen te liggen door de economische malaise. In 1683 kocht de regent Albert Geelvinck, telg uit een invloedrijk en vermogend koopmansgeslacht, twee naast elkaar gelegen percelen – ieder van 26 voet (7,36 m) breed en 180 voet (51 m) lang – , alsmede twee percelen aan de zijde van de Keizersgracht. Drie jaar daarvoor was hij getrouwd met Sara Hinlopen, de evenzeer vermogende dochter van de collectioneur Jan Hinlopen. Op de beide percelen aan de Herengracht verrees in de jaren daarna het hoofdhuis, dat zij in 1687 betrokken. Aan de Keizersgracht lieten zij een koetshuis met daarnaast een houten stal bouwen. In een gedeelte van de tuin zal toen – zoals in die tijd gebruikelijk – een zogenoemde knopentuin (3) zijn gerealiseerd met een nutsfunctie: fruit, groente en (medicinale) kruiden. Vermoedelijk zullen er ook fruitbomen (zoals er ook nu nog een oude appelboom staat) hebben gestaan en was er bij het koetshuis waarschijnlijk een bleek.

In de late 17e en de eerste driekwart van de 18e eeuw was het gebruikelijk dat de stadstuinen werden vormgegeven in de Hollands-classicistische stijl. Deze is gebaseerd op de Franse baroktuinen (André le Nôtre). Met name de Franse architect en ontwerper Daniël Marot (1661-1752), die zich in 1686 in Nederland vestigde, heeft hierop veel invloed gehad. Ook de tuin van het Geelvinck Hinlopen Huis zal in die tijd een strakke, symmetrische vormgeving hebben gehad met parterres van elegante vormen geknipte buxushaagjes, die geaccentueerd werden door witte en gekleurde kiezel.

In de tweede helft van de 18e eeuw kwam ook in de Republiek de landschapsstijl in zwang. Niet alleen op de buitenplaatsen werd formele aanleg (deels) veelal vervangen door slingertuinen; ook is deze stijl in de 19e en eerste helft 20e eeuw in de stadstuinen dominant. Toen in 1989 een aanvang werd genomen met de restauratie van het Geelvinck Hinlopen Huis, waren hiervan nog restanten zichtbaar. Indertijd moet de tuin samen met de tuinen van de naastgelegen percelen een grotere in landschapstijl vormgegeven eenheid zijn geweest waarvan de grote bruine beuk (Fagus sylvatica ‘Purpurea’) in de buurtuin de spil gevormd moet hebben.

De huidige tuin is geen historiserende nabootsing van de oorspronkelijke tuin (hiervan is geen ontwerp bekend), maar een eigentijdse tuin (1990) vormgegeven door de internationaal vermaarde tuinarchitect Robert Broekema (4). Hij heeft de langgerekte tuin opgedeeld in drie ‘kamers’, die ieder door speels gebruik van historische stijlelementen refereren aan de geschiedenis van de stadstuinen. In zijn ontwerp plaatst Robert Broekema deze stijlelementen in een dialoog met eigentijds design.

Het gedeelte van de tuin achter het hoofdhuis grijpt terug op de Hollands- classicistische baroktuin uit de late 17e en vroege 18e eeuw, maar heeft tevens diverse 19e eeuwse romantische stijlelementen, zoals de grote klassieke vijver en de rozencoulissen. Daarmee sluit deze ‘kamer’ aan op de interieurstijl van de beletage van het hoofdhuis, waarin de rococo, het classicisme en de romantiek van de 18e en vroege 19e eeuw uitbundig aanwezig zijn. De beplanting met tulpen en andere bolgewassen (voorjaar) en rozen (zomer) in zowel historische als eigentijdse variëteiten, benadrukken dat in deze tuin heden en verleden in elkaar overvloeien.

De ‘kamer’ bij het voormalige koetshuis refereert aan de Hollandse knopentuin met stijlelementen uit de 17e eeuw, zoals de leilinden. Ook hier is in het ontwerp gespeeld met 19e eeuwse elementen in Anglo-Normandische cottagestijl. Het nutsaspect wordt benadrukt door ondermeer aanplant van historische groenten- en fruitvariëteiten

Deze beide formele en symmetrisch rond de tuinassen vormgegeven ‘kamers’ worden met elkaar verbonden door een ‘kamer’, die refereert aan de landschapsstijl uit de 19e eeuw en gedomineerd wordt door de grote bruine beuk in de buurtuin.

Sedert 2009 wordt in samenwerking met Robert Broekema en rozenkwekerij Belle Epoque een meerjarenplan voor de herbeplanting van de rozen uitgevoerd. Daarbij worden de parterres in de ‘kamer’ bij het hoofdhuis opnieuw vorm gegeven.

Het museum werkt onder meer samen met Slow Food ‘Ark van de Smaak’, dat zich inzet voor het behoud van erfgoedvoedsel, zoals historische groeten- en fruitvariëteiten. In samenwerking met Slow Food is in 2010 een bijenkast met een Buckfast Abbey bijenvolk in de tuin geplaatst; daarmee is het Geelvinck Hinlopen Huis de eerste tuin in de Amsterdamse binnenstad met ‘urban beekeeping’.

De tuin wordt onderhouden door een enthousiast team vrijwilligers (de ‘Tuinvincken’) onder leiding van een professioneel hovenier (eveneens vrijwilliger).

2. Verdieping

(1) Geschiedenis van de Amsterdamse Grachtengordel

In 1568 scheidden een groot aantal noordelijke Nederlandse provincies zich af van het machtige Rooms Katholieke rijk van de Spaanse Habsburgers, hetgeen ontaardde in een langdurige vrijheidsstrijd. De Republiek ontpopte zich tot een religieus tolerante, door kooplieden gedomineerde vrijhaven, waarin vele religieuze en economische asielzoekers hun heil zochten. Voor de wereldhandel strategisch gelegen Noord-Nederlandse steden profiteerden van de toevloed van vermogende handelaren en arbeidzoekende vluchtelingen en ontwikkelden zich in een rap tempo. Met name Amsterdam groeide uit tot een handels- en financieel centrum van wereldformaat.

Door het sterk toegenomen inwoneraantal was Amsterdam in 1610 gedwongen tot een aanzienlijke stadsuitbreiding met drie grachten (Herengracht, Keizersgracht en Prinsengracht) en een door een omwalling versterkte singel. Het eerste deel hiervan werd verwezenlijkt vanaf 1610 tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) in de tachtig jaar durende vrijheidsstrijd. Nadat de Vrede van Munster in 1648 vrede (tevens einde Dertigjarige Oorlog) en internationale diplomatieke erkenning voor de Republiek had gebracht, werd vanaf 1662 de grachtengordel onder leiding van de stadsarchitect Daniël Stalpaert vanaf de Gouden Bocht tot aan de Amstel voltooid. In 1665 was de zogenoemde Vierde Uitleg, het deel van de grachtengordel waarin het Geelvinck Hinlopen Huis later zou worden gebouwd, gereed en werden de percelen verkocht.

De uitgegeven bouwpercelen waren sterk gereguleerd door voorschriften. Door de eeuwen heen is deze regelgeving – ‘keuren’ genoemd – gehandhaafd en in de 20e eeuw opgegaan in de huidige bestemmingsplanreglementering. De breedte van de percelen is waar mogelijk gelijk gehouden, waardoor een regelmatige opeenvolging van gevels is ontstaan.

Binnen de gesloten bouwblokken (de zogenoemde ‘keurblokken’) werd een deel bestemd voor ‘tuin’, de ‘keurtuin’. Slechts het gedeelte tussen het front van het perceel en de rooilijn voor de tuingedeelte mocht bebouwd worden. In het deel achter de rooilijn mocht niet worden gebouwd, behoudens een tuinhuis van bepaalde afmetingen achterin de tuin. In de tuin mocht en mag geen commerciële bezigheid worden ontplooid. Ofschoon in de 20e eeuw deze regelgeving niet altijd even stringent is gehandhaafd (waardoor op sommige plekken toch bebouwing en parkeerterreinen in keurtuinen zijn ontstaan), wordt sedert de afgelopen vijftig jaar door de gemeente een doeltreffend beleid gevoerd om de keurtuinen te handhaven en waar mogelijk weer terug te brengen.

De ‘keurtuin’-structuur – de groene longen van de binnenstad – zoals deze in de 17e eeuw bij de bouw van de grachtengordel is doorgevoerd, is een voor die tijd unieke innovatie in de urbane ontwikkeling. Naast ondermeer de ingenieuze waterwerken en de doordachte verdeling in gebruiksbestemming (wonen, resp. bedrijvigheid), zijn de groenvoorzieningen van door stringente regelgeving beschermde bomen aan de gracht en (plezier)tuinenstructuren binnen de bouwblokken bijzonder vernieuwend. Deze kenmerken maken dat de grachtengordel in 2010 terecht is opgenomen op de lijst UNESCO Werelderfgoed.

(2) Geschiedenis van het huis

Albert Geelvinck (1647-1693) en Sara Hinlopen (1660-1749) betrekken het Geelvinck Hinlopen Huis in 1687. Reeds in 1693 sterft Albert Geelvinck. Sara hertrouwt met Alberts oudere neef Jacob Hendrikzn. Bicker (1642-1713) en hij trekt bij Sara in. De familie Bicker heeft al verschillende buitenplaatsen, maar in 1710 koopt Jacob Bicker de buitenplaats Boeckesteyn in ’s Gravenland. Hier zal het echtpaar de zomers hebben doorgebracht. Helaas sterft Jacob in 1713 (Boeckesteyn wordt in 1722 weer verkocht). Sara blijft tot haar dood in 1749 in het Geelvinck Hinlopen Huis wonen.

De welvarende Amsterdamse regentenfamilies verbleven ’s zomers op hun buitenplaatsen en woonden in de wintermaanden in de stad. Daarom was het belangrijk, dat de stadstuin er juist in de winter goed bij lag. De buxushaagjes, die in de winter groen blijven, zijn daarom bijzonder geschikte elementen om de tuin ook ’s winters een lust voor het oog te laten vormen.

Aangezien Sara kinderloos is gebleven, vererft het huis in 1749 naar een kleindochter van de broer van Albert Geelvinck: de puisant rijke Agatha Levina Geelvinck (1701-1761), weduwe van Dirk Trip sr. Zij verhuist met haar zoon Dirk Trip jr. naar het Geelvinck Hinlopen Huis en geeft het huis een nieuw interieur (waarvan op de beletage veel elementen bewaard zijn gebleven). In het huis naast het Geelvinck Hinlopen Huis op Herengracht 520 woonde haar vader, de burgemeester Lieve Geelvinck; hij is inmiddels gestorven, maar zijn tweede vrouw – die het huis in eigendom heeft – woont er nog tot haar dood in 1761; daarna woont er Agatha’s zuster. In 1753 koopt Agatha voor haar zoon het huis aan de andere zijde, Herengracht 516. Het is heel wel mogelijk, dat toen de tuinen van Herengracht 516 t/m 520 tot één geheel zijn gevormd. Agatha heeft het interieur van het Geelvinck Hinlopen Huis aanzienlijk aan de mode aangepast; of zij ook de tuin opnieuw heeft laten ontwerpen is niet bekend.

In de zomer woont Agatha op de buitenplaats Waterland bij Velzen. Op een steenworp afstand woont sedert 1748 – na zijn huwelijk met Maria Margaretha Corver – haar broer Nicolaas Geelvinck (1706-1764) op de buitenplaats Watervliet (helaas afgebroken voor de aanleg van het Noordzeekanaal). Deze laat de tuin van Watervliet ontwerpen door de bekende architect en ontwerper Daniël Marot.

Daniël Marot (1661-1752) is een Frans Hugenoot en vlucht na de opheffing van het Edict van Nantes naar Den Haag in 1686. Marot kwam in dienst van stadhouder Willem III en Friese Stadhouders. In de Republiek en in Engeland – Stadhouder Willem III was samen met zijn vrouw Mary tevens koning van Engeland van 1689 tot zijn dood in 1702 – heeft hij veel invloed als ontwerper van onder andere Paleis Het Loo en Hampton Court Palace. Ook het ontwerp van de tuinen van Kasteel Rosendael en de buitenplaats Watervliet zijn van zijn hand. Tussen 1715 en 1747 woonde Marot aan de Reguliersgracht, op een steenworp afstand van het Geelvinck Hinlopen Huis.

Na het overlijden van Agatha Geelvinck in 1762 bewonen haar zoon Dirk Trip jr. (1734-1763) en schoondochter Jacoba Elisabeth van Strijen (1741-1816) het huis. ‘s zomers verblijven zij op de buitenplaats Waterland bij Velsen. Helaas sterft Dirk Trip jr. al anderhalf jaar later. Zijn weduwe hertrouwt in 1768 met Carel George van Wassenaer Obdam van Twickel (1733-1800) en zij trekt bij hem in op Kasteel Twickel en zijn door Daniël Marot ontworpen residentie in Den Haag, het latere Paleis Kneuterdijk. Jacoba verhuurt het Geelvinck Hinlopen Huis aan Agatha’s neef Joan Graafland (1733-1821) en daarna aan het gezin van diens dochter Agnes Graafland, getrouwd met Willem-Gerrit van de Poll (1763-1836).

Wij kunnen alleen gissen naar het tijdstip dat de Hollands-classicistische formele tuin van het Geelvinck Hinlopen Huis en de naastgelegen percelen zijn veranderd in een ook in Nederland in de loop van de tweede helft 18e eeuw in zwang komende landschappelijke tuin (ook wel ‘slingertuin’ genoemd). Mogelijk, dat na het overlijden van Agatha Geelvinck in 1762 haar zoon Dirk Trip jr. dit reeds in gang zet, maar het is meer waarschijnlijk dat het pas na 1813 gebeurt.

In 1813 wordt het Geelvinck Hinlopen Huis gekocht door Herman Verwit Asschenbergh. De tweede generatie Assenberg (een neef, Jan Hendrik Hackman Asschenbergh) heeft in 1833 het interieur van het huis aanzienlijk verfraait en in de in landschapsstijl vormgegeven tuin is sprake van een ‘menagerie’. De bruine beuk in de buurtuin stamt uit deze tijd.

In 1920 verkoopt de laatste bewoner, een bankier met kantoor aan huis, het hoofdhuis aan het handelshuis Hagemeijer & Co. dat de woning omvormt tot hoofdkantoor. Het koetshuis is al in 1867 verbouwt tot woonhuis, overigens zonder tuin, want de volledige tuin blijft tot in het begin van de 20e eeuw eigendom van het hoofdhuis. Pas dan worden delen van de achtertuin afgespitst om als tuinen voor de huizen aan de Keizersgracht te dienen.

In 1953 zorgt de februaristorm, die verantwoordelijk is voor de Watersnoodramp, ook voor grote schade in de Amsterdamse keurtuinen. Gelukkig blijft de bruine beuk in de tuin van Herengracht 520 behouden. Deze boom is dan bepalend voor het aanzicht van de drie aaneengesloten tuinen van Herengracht 518 t/m 520. In de loop van de 20e eeuw geraken de tuinen steeds verder verwaarloosd.

Rond 1988 wordt in de tuin van Herengracht 520, naar aanleiding van een ingrijpende verbouwing van het hoofdgebouw, door het hoveniersbedrijf Monsjou in de stijl van Mien Ruys aangelegd, waarmee de eenheid van de landschapstuinen van Herengracht 518 t/m 522 verloren ging.

Vanaf 1989 wordt het Geelvinck Hinlopen Huis gerestaureerd. Twee jaar later kan ook het voormalig koetshuis (met dat deel van de tuin) met het hoofdhuis worden herenigd. In 1991 – 1992 wordt in twee stadia de huidige tuin van het Geelvinck Hinlopen Huis gerealiseerd naar ontwerp van de tuinarchitect Robert Broekema. Op 21 november 1991 wordt het Geelvinck Hinlopen Huis voor het publiek geopend.

Van de tuin vóór 1991 resteren slechts enkele bomen, waaronder de oude appelboom bij het hoofdhuis.

(3) Knopentuin

In de Renaissance ontstond de knopentuin als stijlelement in de Italiaanse tuinkunst. Voorbeelden van ornamentele nutstuinen met een geometrische (‘knopen’) indeling door middel van buxushaagjes zijn te vinden in de ontwerpen van Sebastiano Serlio (1475-1554). In de tuinontwerpen van Hans Vredeman de Vries (1527-1609) is dit stijlelement eveneens aanwezig. Bij de stadstuinen is deze methode van indelen in de 16e en 17e eeuw gebruikelijk. De Hollandse knopentuin als stijlelement vindt men ook nog in diverse tuinen in Engeland en Frankrijk.

In de loop van de 17e eeuw wordt het ornamentele aspect van de tuin belangrijker en verdringt de nutsfunctie. De knopentuin wordt vervangen door sierlijk vormgegeven buxusparterres, die door het gebruik van witte en gekleurde kiezelstenen, ook in de winter een aantrekkelijke aanblik vormen. Dat is belangrijk, omdat het stadshuis met name in de wintermaanden bewoond wordt, terwijl in de zomermaanden het gehele huishouden zich naar de buitenplaats verplaatste.

(4) Robert Broekema

Robert Broekema heeft diverse keurtuinen in Amsterdam ontworpen. Hij ziet de tuin van het Geelvinck Hinlopen Huis als zijn chef d’oeuvre in de binnenstad.

Biografie: www.robertbroekema.nl

(5) Gremia en activiteiten gerelateerd aan tuinkunst en behoud van cultureel erfgoed

De tuin van het Museum Geelvinck Hinlopen Huis is tijdens de publieke openingstijden van het museum kosteloos toegankelijk voor buurtbewoners en de Vrienden van het museum.

De tuin van het museum is een ‘Open Tuin’ van de Nederlandse Tuinenstichting (NTs) en tevens een diervriendelijk ‘Tuinreservaat’.

Al twee decennia neemt het museum deel aan de jaarlijkse Open Tuinen Dagen.

In 2006 organiseerde het museum een tentoonstelling over de keurtuin als fenomeen.

In 2009 heeft het museum het initiatief genomen voor de jaarlijkse Studiemiddag Keurtuinen. Dit heeft in 2010 geleid tot de oprichting van de Stichting tot het behoud van de Amsterdamse keurtuinen (Stichting Keurtuinen: www.keurtuinen.nl ). Deze stichting beoogt zich te ontwikkelen tot een platform en kenniscentrum voor de keurtuin in brede zin, mede in het kader van de Amsterdamse grachtengordel als UNESCO Werelderfgoed.

In 2010 heeft het museum de tentoonstelling ‘Splash! – vijvers en fonteinen in en rond Amsterdam, toen en nu’ georganiseerd over de ontwikkeling van vijvers en fonteinen in de stadstuinen en op de buitenplaatsen rondom Amsterdam vanaf de 16e eeuw, alsmede een fototentoonstelling door fotograaf Roland Spek van hedendaagse vijvers en fonteinen in de Amsterdamse binnenstad. Voor deze tentoonstelling werd ondermeer samengewerkt met het Museum Peterhof nabij St. Petersburg (Rusland).

In 2012 organiseert het museum in het kader van het Jaar van de Historische Buitenplaats de tentoonstelling ‘Naar Buiten! – stedelingen en hun buitenplaatsen’ waarin de relatie wordt gelegd tussen de stadstuin en de parken van de buitenplaatsen rondom Amsterdam. Deze tentoonstelling komt tot stand in samenwerking met Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en De 12 Landschappen. In dit kader wordt onder de aegis van de Stichting Keurtuinen eveneens in samenwerking met de genoemde drie grote groenbeherende organisaties, alsmede met Beeckestein Podium voor Tuin- en LandschapsCultuur en de Nederlandse Tuinenstichting, de website ‘Amsterdam Arcadia’ opgezet naar voorbeeld van het European Garden Heritage Network.

Museum Geelvinck Hinlopen Huis toont het leven in het stadspaleis aan de hand van de bewonersgeschiedenis en in het bijzonder de vrouw des huizes. De kernperiode is de 18e en begin 19e eeuw; deze wordt toegelicht vanuit het heden. Daarnaast zijn er wisseltentoonstellingen met thema’s, zoals de culturele beïnvloeding door internationale handelsbetrekkingen, de ontwikkeling van leefstijl (design), de buitenplaatsen, de keurtuin enz. Regelmatig worden kamerconcerten gegeven op de historische pianofortes van de Sweelinck Collectie.

Het museum is ondermeer lid van het ICOMOS ISC Cultural Landscapes en diverse tuin- en plantenorganisaties. Het museum is eveneens lid van ICOM, ICOM DemHist, Europa Nostra, de Nederlandse Museumvereniging en verschillende andere gremia. Museum Geelvinck Hinlopen Huis is opgenomen in het Nederlands Museum Register.